Werkgelegenheidsstatistieken

Uit Statistics Explained

Gegevens van juli 2014. Meest recente gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. Geplande bijwerking van het artikel: augustus 2015.
Tabel 1: Arbeidsparticipatie, leeftijdsgroep 15–64 jaar, 2003–2013
(%) - Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Figuur 1: Arbeidsparticipatie, leeftijdsgroep 15–64 jaar, 2013
(%) - Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Tabel 2: Arbeidsparticipatie voor geselecteerde bevolkingsgroepen, 2003–2013
(%) - Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Figuur 2: Arbeidsparticipatie naar geslacht, leeftijdsgroep 15–64 jaar, 2013 (1)
(%) - Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Figuur 3: Arbeidsparticipatie naar leeftijdsgroep, 2013 (1)
(%) - Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Tabel 3: Arbeidsparticipatie naar hoogste opleidingsniveau, leeftijdsgroep 25-64 jaar, 2013
(%) - Bron: Eurostat (lfsa_ergaed)
Tabel 4: Jaarlijkse werkgelegenheidsgroei naar geslacht, 2003–2013
(verandering van het aantal werknemers in %) - Bron: Eurostat (lfsi_grt_a)
Tabel 5: Personen die in deeltijd werken of een tweede baan hebben, 2003–2013
(% van de totale werkgelegenheid) - Bron: Eurostat (lfsa_eppga), (lfsa_e2gis) en (lfsa_egan)
Figuur 4: Personen die in deeltijd werken, leeftijdsgroep 15–64 jaar, 2013 (1)
(% van de totale werkgelegenheid) - Bron: Eurostat (lfsa_eppga)
Figuur 5: Aandeel van de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, leeftijdsgroep 15–64 jaar, 2013
(% van het totale aantal werknemers) - Bron: Eurostat (lfsa_etpga)

Dit artikel bevat recente statistieken over de werkgelegenheid in de Europese Unie (EU), waaronder een analyse op basis van belangrijke sociaaleconomische aspecten: werkgelegenheidsstatistieken vertonen aanzienlijke verschillen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Ook zijn er aanzienlijke arbeidsmarktverschillen tussen de verschillende EU-lidstaten.

Statistieken over de arbeidsmarkt spelen een centrale rol in veel beleidsmaatregelen van de EU na de invoeging van een werkgelegenheidshoofdstuk in het Verdrag van Amsterdam in 1997. De arbeidsparticipatie, met andere woorden het aandeel van de werkenden in de bevolking in de werkende leeftijd, wordt bij de studie naar ontwikkelingen op de arbeidsmarkt beschouwd als een belangrijke sociale indicator voor analytische doeleinden.

Belangrijkste statistische resultaten

Arbeidsparticipatie naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau

In 2013 bedroeg de arbeidsparticipatie van personen van 15-64 jaar in de EU-28, zoals gemeten in de arbeidskrachtenenquête 64,1 %. De arbeidsparticipatie in de EU-28 bereikte een piek in 2008 op 65,7 % en daalde in de daaropvolgende jaren en kwam in 2010 uit op 64,0 %. Deze daling gedurende de wereldwijde financiële en economische crisis — een totale afname van 1,7 procentpunten — eindigde in 2011 toen er een kleine toename was van de arbeidsparticipatie in de EU-28, tot 64,2 %, waarna de arbeidsparticipatie met 0,1 procentpunt daalde en sinds 2012 bedraagt dit percentage 64,1 % (zie tabel 1). In de lidstaten bereikte de arbeidsparticipatie in 2013 hoogtepunten tussen 72 % en 74 % in Oostenrijk, Denemarken, Duitsland en Nederland, met een piek van 74,4 % in Zweden. Aan de andere kant van het spectrum was de arbeidsparticipatie in acht lidstaten van de EU-28 lager dan 60 %, waarbij de laagste percentages werden geregistreerd in Kroatië (49,2 %) en Griekenland (49,3 %) — zie figuur 1.

Tussen het begin van de financiële en economische crisis en 2013 (de recentste beschikbare gegevens) waren er aanzienlijke verschillen tussen de prestaties van de afzonderlijke arbeidsmarkten. Hoewel de totale arbeidsparticipatie in de EU-28 in 2013 nog altijd 1,6 procentpunten onder het niveau van 2008 ligt, rapporteerden negen EU-lidstaten een toename van hun respectieve percentages. De grootste stijgingen werden geregistreerd in Malta (5,3 procentpunten) en Duitsland (3,2 procentpunten), terwijl de stijgingen in Luxembourg, Hongarije en Tsjechië groter waren dan 1 procentpunt. De arbeidsparticipatie in Griekenland daalde daarentegen van 61,9 % in 2008 naar iets minder dan 50 % in 2013. De arbeidsparticipatie daalde tussen 2008 en 2013 ook aanzienlijk — met ten minste 5 procentpunten — in Spanje, Cyprus, Kroatië, Portugal, Ierland, Denemarken en Slovenië.

De arbeidsparticipatie is over het algemeen lager onder vrouwen en oudere werknemers. In 2013 bedroeg de arbeidsparticipatie voor mannen in de EU-28 69,4 %, tegenover 58,8 % voor vrouwen. Uit vergelijkingen op langere termijn blijkt dat terwijl de arbeidsparticipatie van mannen in 2013 lager was dan tien jaar daarvoor (70,3 % in 2003), het percentage werkende vrouwen aanzienlijk is gestegen (een stijging van 4,0 procentpunten ten opzichte van 54,8 % in 2003 — zie tabel 2.).

De percentages voor de arbeidsparticipatie van mannen waren in 2013 in alle lidstaten (EU-28) steevast hoger dan die voor vrouwen. Desalniettemin waren er aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten. In Malta werd de op drie na laagste arbeidsparticipatie voor vrouwen geregistreerd (47,0 %); het verschil tussen de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen was maar liefst 27,1 procentpunten. Griekenland en Italië rapporteerden een verschil van net iets minder dan 20 procentpunten, waarbij Griekenland de laagste arbeidsparticipatie voor vrouwen meldde (40,1 %), terwijl de arbeidsparticipatie van vrouwen ook minder dan 50 % was in Kroatië en Italië. Onder de in tabel 2 opgenomen derde landen registreerde Turkije het grootste verschil tussen de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen, waarbij het percentage voor vrouwen (29,6 %) 39,9 procentpunten lager lag dan het percentage voor mannen; de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië rapporteerde eveneens relatief grote verschillen, met een veel groter aandeel van werkende mannen. Daarentegen was er vrijwel geen verschil tussen de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen in Litouwen, waar het percentage voor vrouwen (62,8 %) slechts 1,9 procentpunten lager lag dan dat voor mannen. Het verschil was ook relatief klein in Finland (2,1 procentpunt), Letland (3,4 procentpunten) en Zweden (3,8 procentpunten); In Noorwegen was het verschil tussen de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen ook relatief klein (3,8 procentpunten) — zie figuur 2.

Net zoals bij de arbeidsparticipatie van vrouwen het geval was, waren er aanwijzingen dat de arbeidsparticipatie van oudere werknemers (tussen 55 en 64 jaar) ondanks de financiële en economische crisis sterk toe is genomen. In 2013 was dit percentage 50,1 % voor de EU-28; dit percentage is elk jaar toegenomen sinds 2002 (het begin van de tijdreeks voor de EU-28). In 2013 lag de arbeidsparticipatie van oudere werknemers in tien lidstaten van de EU-28 tussen 50 % en 63 %, terwijl verreweg het hoogste percentage in Zweden werd geregistreerd (73,6 %) — zie tabel 2. De drie EVA-landen waarvoor gegevens beschikbaar zijn, registreerden eveneens een hoge arbeidsparticipatie van oudere werknemers; in elk land meer dan 70 %, met een piek op 81,1 % in IJsland. Japan en in mindere mate de Verenigde Staten registreerden eveneens een hoge arbeidsparticipatie van oudere werknemers. Een gedetailleerdere analyse van de arbeidsparticipatie per leeftijdsgroep is te vinden in figuur 3; daarin wordt bevestigd dat de hoogste percentages consequent voorkomen in de leeftijdsgroep 25-54 jaar.

De arbeidsparticipatie verschilt ook aanzienlijk naar gelang van het opleidingsniveau: voor statistieken op dit gebied is de arbeidsparticipatie gebaseerd op de leeftijdsgroep 25-64 jaar en niet op die van 15-64 jaar. De arbeidsparticipatie van mensen die tertiair onderwijs (tertiair onderwijs korte cyclus, bachelor of gelijkwaardig, master of gelijkwaardig en postdoctoraal onderwijs of gelijkwaardig) hebben gevolgd, bedroeg in de EU-28 in 2013 83,4 % (zie tabel 3), ver boven het percentage (52,1 %) voor mensen die basisonderwijs of lager secundair onderwijs hebben genoten. In de EU-28 lag de arbeidsparticipatie van mensen met hoogstens een diploma van het hoger secundair of postsecundair niet-tertiair onderwijs op 72,7 %. De grootste daling van arbeidsparticipatie sinds het begin van de financiële en economische crisis (2008 in vergelijking met 2011) vond plaats onder mensen met basisonderwijs of lager secundair onderwijs.

Deeltijdwerk en arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Het aandeel van de beroepsbevolking in de EU-28 in de leeftijdsgroep 15–64 jaar dat aangeeft dat zij in eerste werkkring in deeltijd werken, is gestaag toegenomen van 16,0 % in 2003 tot 19,5 % in 2013. Verreweg het hoogste percentage deeltijdwerkers in 2013 werd geregistreerd in Nederland (50,0 %), gevolgd door Duitsland, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden, België en Ierland waar ongeveer een kwart van de werknemers in deeltijd werkte. Deeltijdbanen zijn daarentegen relatief ongebruikelijk in Bulgarije (2,5 % van de werknemers) en Slowakije (4,5 %) — zie tabel 5.. De populariteit van deeltijdwerk verschilt aanzienlijk tussen mannen en vrouwen. Iets minder dan een derde (32,1 %) van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 15–64 jaar in de EU-28 werkte in 2013 in deeltijd; een veel hoger percentage dan dat voor mannen (8,8 %). Meer dan driekwart (77,0 %) van alle werkende vrouwen in Nederland werkte in 2011 in deeltijd; dit was veruit het hoogste percentage van alle lidstaten. [1].

In 2013 was het aandeel van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tijdelijk werk) in de EU-28 13,8 %. Meer dan een op de vier (26,8 %) werknemers in Polen had een tijdelijk contract en de verhouding was meer dan één op de vijf in Spanje (23,2 %), Portugal (21,5 %) en Nederland (20.3 %) — zie figuur 5. In de overige lidstaten (EU-28) varieerde het aandeel werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 17,5 % in Cyprus tot slechts 2,7 % in Litouwen en 1,5 % in Roemenië. De geneigdheid om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te gebruiken, verschilt sterk tussen de EU-lidstaten; dit zou, op zijn minst in bepaalde mate, kunnen samenhangen met de nationale gebruiken, vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, beoordelingen door werkgevers van mogelijke groei of krimp en het gemak waarmee werkgevers mensen kunnen aannemen of ontslaan.

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

Bronstatistieken

De arbeidskrachten die deel uitmaken van de beroepsbevolking omvatten werkenden en werklozen. De EU-arbeidskrachtenenquête definieert werkzame personen als personen van 15 jaar en ouder die gedurende de referentieweek hebben gewerkt, ook al is het maar één uur per week, voor loon, winst of verhoging van het gezinsinkomen. De beroepsbevolking omvat ook mensen die niet aan het werk waren, maar wel een baan of zelfstandige activiteit hadden waarvan zij tijdelijk afwezig waren, bijvoorbeeld wegens ziekte, vakantie, arbeidsconflict, onderwijs of opleiding.

Werkgelegenheid kan worden gemeten aan de hand van het aantal personen of banen, in voltijdequivalenten of in gewerkte uren. Bij alle ingediende schattingen wordt het aantal personen gebruikt; de informatie die voor de arbeidsparticipatie wordt ingediend, is ook gebaseerd op schattingen van het aantal personen. Werkgelegenheidsstatistieken worden vaak als arbeidsparticipatie geregistreerd om de wijzigingen in de omvang van de bevolking van landen in de loop van de tijd te verdisconteren en vergelijkingen tussen landen van verschillende omvang te vergemakkelijken. Deze percentages worden over het algemeen gepubliceerd voor de bevolking in de werkende leeftijd, waarmee meestal het aantal mensen van 15-64 jaar wordt bedoeld, hoewel in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en IJsland de leeftijdsgroep van 16-64 jaar wordt gebruikt; ook andere internationale statistische organisaties gebruiken deze leeftijdsgroep (15-64 jaar) als standaard.

Bepaalde belangrijke werkgelegenheidskenmerken, zoals gedefinieerd in de EU-arbeidskrachtenenquête, zijn onder andere:

  • werknemers: personen die werken voor de overheid of een particuliere werkgever en een beloning ontvangen in de vorm van loon, salaris, prestatiebeloning of betaling in natura; hieronder vallen ook niet-dienstplichtige leden van de strijdkrachten;
  • zelfstandigen werken in hun eigen onderneming, landbouwbedrijf of praktijk. Een zelfstandige wordt geacht in de referentieweek te hebben gewerkt als hij/zij voldoet aan een van de volgende criteria: hij/zij werkt met het doel winst te maken, besteedt tijd aan de exploitatie van een onderneming, of is bezig met het oprichten van een onderneming;
  • het onderscheid voltijd/deeltijd in de eerste werkkring wordt aangegeven door de respondent, behalve in Duitsland, Ierland en Nederland, waar drempelwaarden voor de doorgaans gewerkte uren worden gehanteerd;
  • indicatoren voor werkzame personen met een tweede werkkring hebben alleen betrekking op personen met meer dan één werkkring tegelijkertijd; mensen die in de referentieweek van baan zijn veranderd, worden niet geteld als mensen met twee banen;
  • een werknemer wordt geacht een tijdelijk dienstverband te hebben als de werkgever en de werknemer overeenkomen dat het einde ervan wordt bepaald door objectieve voorwaarden, zoals een bepaalde datum, de voltooiing van een opdracht of de terugkeer van een werknemer die tijdelijk wordt vervangen. Voorbeelden hiervan zijn: seizoenarbeiders; mensen die door een uitzendbureau of arbeidsbemiddelingsbureau in dienst worden genomen en bij een derde worden geplaatst om een bepaalde taak uit te voeren (tenzij er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd); mensen met specifieke opleidingscontracten.

Context

Werkgelegenheidsstatistieken kunnen worden gebruikt voor een aantal uiteenlopende analysen, waaronder macro-economische studies (werknemers bezien als productiefactor) of studies over arbeidsproductiviteit of concurrentievermogen. Zij kunnen ook worden gebruikt voor het bestuderen van een aantal maatschappelijke en gedragsaspecten die samenhangen met de individuele arbeidssituatie, zoals de maatschappelijke integratie van minderheden of werk als bron van gezinsinkomen.

Werkgelegenheid is zowel een structurele indicator als een kortetermijnindicator. Als structurele indicator kan werkgelegenheid meer inzicht verschaffen in de structuur van de arbeidsmarkt en de economische systemen, gemeten aan de hand van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, of in de kwaliteit van de werkgelegenheid. Als kortetermijnindicator volgt werkgelegenheid de conjunctuurcyclus; werkgelegenheid heeft in die zin echter beperkingen, omdat zij vaak wordt beschouwd als een achterblijvende indicator.

Werkgelegenheidsstatistieken spelen een centrale rol in veel EU-beleid. Sinds de werkgelegenheidstop van Luxemburg in november 1997 bestaat er een Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS); deze werd in 2005 aangepast om de werkgelegenheidsstrategie van de EU nauwer te laten aansluiten op een aantal herziene Lissabondoelstellingen. In juli 2008 zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2008-2010 geactualiseerd. In maart 2010 heeft de Europese Commissie het startsein gegeven voor de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; deze werd in juni 2010 formeel goedgekeurd door de Europese Raad. De Europese Raad bereikte overeenstemming over vijf centrale streefcijfers, waarvan de eerste is om de arbeidsparticipatie voor vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep 20-64 jaar te verhogen tot 75 % tegen 2020. De EU-lidstaten mogen aan de hand van deze streefcijfers hun eigen nationale streefcijfers vaststellen en nationale hervormingsprogramma's opstellen met acties om de strategie uit te voeren. De strategie kan ten minste deels worden verwezenlijkt door middel van de bevordering van flexibele arbeidsvoorwaarden — deeltijdwerk en thuiswerken bijvoorbeeld — waarvan verwacht wordt dat zij de arbeidsparticipatie zullen bevorderen. Onder andere de verbetering van de beschikbare kinderopvangvoorzieningen, een groter aanbod op het gebied van een leven lang leren en het bevorderen van beroepsmobiliteit zijn sommige initiatieven die meer mensen kunnen stimuleren in het arbeidsproces te treden. In dit thema staat "flexizekerheid" centraal: beleidsmaatregelen die tegelijkertijd gericht zijn op de flexibiliteit van de arbeidsmarkten, de werkorganisatie en de arbeidsverhoudingen, waarbij rekening wordt gehouden met de combinatie van werk en privéleven, werkzekerheid en sociale bescherming. In overeenstemming met de Europa 2020-strategie worden met de EWS maatregelen aangemoedigd die bijdragen tot de verwezenlijking van drie streefcijfers voor 2020, namelijk:

  • 75 % van de mensen van 20-64 jaar heeft werk;
  • het percentage schoolverlaters is lager dan 10 % en ten minste 40 % van de 30- tot 34-jarigen heeft een opleiding in het hoger onderwijs afgerond;
  • ten minste 20 miljoen minder mensen lopen risico op armoede of sociale uitsluiting.

Vanwege het trage tempo van het herstel van de financiële en economische crisis en de toenemende aanwijzingen van een groeiende werkloosheid heeft de Commissie op 18 april 2012 een aantal voorstellen gedaan voor maatregelen om de werkgelegenheid door middel van een werkgelegenheidspakket te stimuleren. In deze voorstellen staat onder meer de vraagzijde van de werkgelegenheidscreatie centraal, en wordt uiteengezet hoe de EU-lidstaten aanwervingen kunnen stimuleren door de belastingen op arbeid te verlagen en startende ondernemingen te ondersteunen. Daarnaast zijn de voorstellen ook gericht op de vaststelling van economische sectoren met mogelijkheden voor aanzienlijke werkgelegenheidscreatie, zoals de groene economie, de gezondheidszorg en de ICT-sector.

In december 2012, in het licht van de hoge en alsmaar stijgende jeugdwerkloosheid in verschillende EU-lidstaten, heeft de Europese Commissie een werkgelegenheidspakket voor jongeren (COM(2012) 727 final) voorgesteld. Dit pakket is een vervolg op de maatregelen ten behoeve van jongeren die zijn vastgelegd in het uitgebreidere werkgelegenheidspakket, en omvat een reeks voorstellen, waaronder:

  • dat aan elke jongere tot 25 jaar binnen vier maanden nadat hij/zij het formele onderwijs heeft verlaten of werkloos is geworden, een kwalitatief goede baan, voortgezet onderwijs, een leerlingplaats of een stage aangeboden wordt (een jongerengarantie);
  • een raadpleging van de Europese sociale partners over een kwaliteitskader voor stages, om jongeren de kans te geven om in veilige omstandigheden nuttige werkervaring op te doen;
  • een Europese Alliantie voor de verbetering van de kwaliteit en het aanbod van beschikbare leerlingplaatsen en een voorstel voor manieren om hinderpalen voor mobiliteit van jongeren uit de weg te ruimen.

De inspanningen om de jeugdwerkloosheid te verminderen werden in 2013 voortgezet met de mededeling van de Europese Commissie met de titel "Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (COM(2013) 144 final)" die erop is gericht de in the Werkgelegenheidspakket voor jongeren uiteengezette maatregelen te versterken en te versnellen. De mededeling is met name bedoeld voor de ondersteuning van jongeren zonder scholing, werk of stage in de regio's van de Unie waar de jeugdwerkloosheid meer is dan 25 %. Er volgde een andere mededeling van de Commissie met de titel "Samen aan de slag voor de jongeren in Europa – Een oproep tot actie ter bestrijding van jeugdwerkloosheid’ (COM(2013) 447 final) die is gericht op de versnelling van de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie en de ondersteuning van de EU-lidstaten en ondernemingen zodat deze meer jongeren in dienst kunnen nemen.

Zie ook

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

LFS main indicators (t_lfsi)
Population, activity and inactivity - LFS adjusted series (t_lfsi_act)
Employment - LFS adjusted series (t_lfsi_emp)
Employment growth by sex (tps00180)
Employment rate by sex (tsdec420)
Employment rate of older workers (tsdde100)
Persons employed part-time - Total (tps00159)
Employees with a contract of limited duration (annual average) (tps00073)
LFS series - Detailed annual survey results (t_lfsa)
Employment rate, by highest level of education attained (tsdec430)
Employed persons with a second job (tps00074)
Hours worked per week of full-time employment (tps00071)
Hours worked per week of part-time employment (tps00070)
LFS series - Specific topics (t_lfst)
Employment rate of the age group 15-64 by NUTS 2 regions (tgs00007)
Employment rate of the age group 20-64 by NUTS 2 regions (tgs00102)
Employment rate of the age group 55-64 by NUTS 2 regions (tgs00054)

Databank

LFS main indicators (lfsi)
Population, activity and inactivity - LFS adjusted series (lfsi_act)
Employment - LFS adjusted series (lfsi_emp)
LFS series - Detailed quarterly survey results (from 1998) (lfsq)
Employment - LFS series (lfsq_emp)
Employment rates - LFS series (lfsq_emprt)
Self-employed - LFS series (lfsq_empself)
Employees - LFS series (lfsq_emppaid)
Temporary employment - LFS series (lfsq_emptemp)
Full-time and part-time employment - LFS series (lfsq_empftpt)
Population in employment having a second job - LFS series (lfsq_emp2job)
Working time - LFS series (lfsq_wrktime)
LFS series - Detailed annual survey results (lfsa)
Employment - LFS series (lfsa_emp)
Employment rates - LFS series (lfsa_emprt)
Self employed - LFS series (lfsa_empself)
Employees - LFS series (lfsa_emppaid)
Temporary employment - LFS series (lfsa_emptemp)
Full-time and part-time employment - LFS series (lfsa_empftpt)
Population in employment having a second job - LFS series (lfsa_emp2job)
Population in employment working during unsocial hours - LFS series (lfsa_empasoc)
Working time - LFS series (lfsa_wrktime)
LFS series -Specific topics (lfst)
Households statistics - LFS series (lfst_hh)
LFS regional series (lfst_r)
LFS ad-hoc modules (lfso)
2012. Transition from work to retirement (lfso_12)
2010. Reconciliation between work and family life (lfso_10)
2009. Entry of young people into the labour market (lfso_09)
2008. Labour market situation of migrants (lfso_08)
2007. Work related accidents, health problems and hasardous exposure (lfs_07)
2006. Transition from work into retirement (lfso_06)
2005. Reconciliation between work and family life (lfso_05)
2004. Work organisation and working time arrangements (lfso_04)
2003. Lifelong learning (lfso_03)
2002. Employment of disabled persons (lfso_02)
2000. Transition from school to working life (lfso_00)

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

Publicaties


ESMS-metagegevensbestanden en methodologie voor de EU-LFS

Brongegevens voor de tabellen en figuren (MS Excel)

Externe links

Voetnoten

  1. Iedereen die minder dan 35 uur per week werkt, wordt in Nederland beschouwd in deeltijd te werken.


Weergaven