Create a book

BBP en verbruik per hoofd van de bevolking en indexcijfers van het prijsniveau

Uit Statistics Explained

Gegevens van december 2011. Meest recente gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. De versie in het Engels is recenter.

Dit artikel analyseert het bruto binnenlands product (BBP) per hoofd van de bevolking in de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU), maar ook het niveau van de werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking en het relatief prijsniveau van landen komen aan bod. De analyse heeft betrekking op de 27 EU-lidstaten, de EVA-lidstaten (IJsland, Noorwegen en Zwitserland), de vier kandidaat-lidstaten (Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Turkije), en drie potentiële kandidaat-lidstaten op de westelijke Balkan (Albanië, Bosnië en Herzegovina en Servië).

Figuur 1: Volume-indexcijfers van het BBP per hoofd van de bevolking, 2010 (EU-27=100) - Bron: Eurostat (tec00114)
Tabel 1: Volume-indexcijfers per hoofd van de bevolking, 2008-10 (EU-27=100) - Bron: Eurostat (tec00114)
Tabel 2: Wisselkoersen en prijsindexcijfers voor de werkelijke individuele consumptie, 2008-10 (EU-27=100) - Bron: Eurostat (prc_ppp_ind)

Belangrijkste statistische resultaten

In 2010 had Bulgarije het laagste BBP per hoofd van de bevolking van de EU-lidstaten, namelijk minder dan de helft van het EU-gemiddelde. Nederland lag 33 % boven dit gemiddelde en werd alleen voorbijgestreefd door Luxemburg. Het niveau van de werkelijke individuele consumptie was iets homogener, maar verschilde niettemin sterk tussen de EU-lidstaten. Net als in voorgaande jaren had Denemarken het hoogste prijsniveau in de EU.

Relatieve volumes van het BBP per hoofd van de bevolking

De volume-indexcijfers van het BBP per hoofd van de bevolking van een aantal landen zijn links in Tabel 1 weergegeven (de volume-indexcijfers per hoofd van de bevolking worden verklaard in Gegevensbronnen en beschikbaarheid).

De spreiding in het BBP per hoofd van de bevolking tussen de EU-lidstaten blijft zeer opvallend. Evenals in voorgaande jaren heeft Luxemburg verreweg het hoogste BBP per hoofd van de bevolking van alle 37 landen in deze analyse, meer dan tweeëneenhalf keer zo hoog als het gemiddelde van de EU-27 en ongeveer 6 keer zo hoog als het BBP van Bulgarije, dat volgens deze indicator de armste lidstaat van de EU is. Een bijzonder kenmerk van de Luxemburgse economie dat het zeer hoge BBP per hoofd van de bevolking tot op zekere hoogte verklaart, is het feit dat een groot aantal personen die niet in Luxemburg maar in één van de buurlanden wonen in het land werken en zo bijdragen tot het BBP, maar uiteraard niet als inwoners worden meegerekend.

Nederland komt van de EU-lidstaten op de tweede plaats (33 % boven het gemiddelde van de EU-27), maar wordt voorbijgestreefd door de EVA-landen Noorwegen en Zwitserland. Ierland behoudt zijn positie als een van de rijkste EU-lidstaten, maar er is tussen 2008 en 2010 een duidelijke neerwaartse trend te zien. Dit valt vooral te verklaren door de ontwikkeling van het nominale BBP, dat in deze periode met ruim 13 % is gedaald.

Andere EU-lidstaten met een BBP per hoofd van de bevolking dat in 2010 20 % of meer boven het EU-niveau lag, zijn Denemarken, Oostenrijk en Zweden. België en Duitsland liggen ongeveer op hetzelfde niveau, gevolgd door Finland en het Verenigd Koninkrijk, terwijl Frankrijk ruim boven Italië en Spanje ligt, die al enkele jaren op hetzelfde niveau blijven.

Met een BBP per hoofd van de bevolking iets onder het gemiddelde van de EU-27 in 2010 blijft Cyprus het beter doen dan Griekenland, dat in 2010 hard werd getroffen door de economische crisis. Slovenië, Malta, Portugal en Tsjechië liggen alle rond 20 % onder het gemiddelde van de EU-27, maar liggen wel ruim boven Slowakije, Hongarije, Estland, Polen en Kroatië (een van de kandidaat-lidstaten van de EU), die ongeveer 40 % onder het gemiddelde van de EU-27 liggen. In Polen is de situatie relatief gezien duidelijk verbeterd, maar in Litouwen en Letland is het BBP per hoofd van de bevolking tussen 2008 en 2010 gedaald.

Roemenië en Bulgarije hebben een BBP per hoofd van de bevolking dat net onder 50 % van het gemiddelde van de EU-27 ligt. Turkije, een kandidaat-lidstaat van de EU, ligt boven het niveau van Roemenië en Bulgarije.

Vijf landen hebben een BBP per hoofd van de bevolking van 60 % onder het gemiddelde van de EU-27 of minder. Het gaat om twee kandidaat-lidstaten van de EU, Montenegro en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, en de drie westelijke Balkanlanden Servië, Bosnië en Herzegovina en Albanië. De relatieve positie van deze landen is tussen 2008 en 2010 niet wezenlijk veranderd.

Relatieve volumes van de consumptie per hoofd van de bevolking

Het BBP per hoofd van de bevolking wordt vaak gebruikt als indicator voor het welzijnsniveau van een land, maar is niet noodzakelijkerwijs een geschikte indicator voor de werkelijke levensstandaard van huishoudens. Daarvoor is de werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking waarschijnlijk een betere indicator.

In de nationale rekeningen verwijzen de consumptieve bestedingen van huishoudens naar de uitgaven aan goederen en diensten die worden gekocht en betaald door huishoudens. De werkelijke individuele consumptie heeft daarentegen betrekking op goederen en diensten die daadwerkelijk door personen zijn verbruikt, ongeacht of deze goederen en diensten zijn gekocht en betaald door huishoudens, door de overheid of door instellingen zonder winstoogmerk. In internationale volumevergelijkingen wordt de werkelijke individuele consumptie vaak als de meest geschikte maatstaf gezien, omdat deze niet wordt beïnvloed door het feit dat de organisatie van een aantal belangrijke door huishoudens verbruikte diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs, van land tot land sterk verschilt. Wanneer bijvoorbeeld tandartsen worden betaald door de regering in een land en in een ander land door huishoudens, vergelijkt een internationale vergelijking op basis van de consumptieve bestedingen van huishoudens geen gelijke grootheden, terwijl dat bij een vergelijking op basis van werkelijke individuele consumptie dat wel het geval is.

De volume-indexcijfers van de werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking van een aantal landen zijn rechts in Tabel 1 te vinden.

Over het algemeen zijn de niveaus van de werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking homogener dan het BBP, maar niettemin zijn er aanzienlijke verschillen tussen de EU-lidstaten. Zo lagen in 2010 dertien landen tussen 95 % en 121 % van het EU-gemiddelde, terwijl het BBP per hoofd van de bevolking van deze landen varieert tussen 90 % en 133 %.

Luxemburg behoudt zijn positie als het land met het hoogste niveau van werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking in de EU, en ligt 50 % boven het gemiddelde voor de 27 EU-lidstaten. Hoewel Luxemburg als het ware een categorie op zich vormt wat het BBP betreft, geldt dit in mindere mate voor de werkelijke individuele consumptie. Een van de redenen daarvoor is dat de consumptieve bestedingen van personen die niet in Luxemburg maar in één van de buurlanden resideren en die in Luxemburg werken, worden opgenomen in de nationale rekeningen van het land waar zij wonen.

De EU-lidstaat met de op één na hoogste werkelijke individuele consumptie is het Verenigd Koninkrijk met 21 % boven het gemiddelde, terwijl het BBP per hoofd van de bevolking 12 % boven het EU-gemiddelde lag. Andersom lag in Ierland de werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking slechts iets boven het EU-gemiddelde, terwijl het BBP per hoofd van de bevolking 28 % hoger dan het gemiddelde was. Ierland, de drie Baltische landen en IJsland zijn de landen die in de periode 2008-2010 hun relatieve positie sterk hebben zien dalen.

Prijsniveaus in Europa

De aanpassingsfactoren voor de prijsniveaus die worden gebruikt bij de afleiding van de volume-indexcijfers in Tabel 1, kunnen ook worden gebruikt voor een analyse van de prijsniveaus van de landen. Tabel 2 bevat rechts de indexcijfers van het prijsniveau, alleen voor de werkelijke individuele consumptie, waarbij het gemiddelde van de EU-27 100 is. De tabel toont ook de wisselkoersen die zijn toegepast bij de berekening van de prijsindexcijfers.

Hierna worden alleen de prijsindexcijfers van de werkelijke individuele consumptie besproken, aangezien dit beter aansluit bij het begrip van prijsniveaus dat de meeste mensen kennen dan een indicator voor de prijsniveaus op basis van het BBP.

Denemarken heeft het hoogste prijsniveau – 47 % boven het EU-gemiddelde – en blijft veruit de duurste EU-lidstaat. De EVA-landen Noorwegen en Zwitserland hebben Denemarken in 2010 echter ingehaald, met prijsniveaus die meer dan 50 % hoger liggen dan het algemene EU-niveau. Andere landen met prijsniveaus van meer dan 20 % boven het gemiddelde van de EU-27 zijn Luxemburg, Zweden, Ierland en Finland. In België, Frankrijk, Oostenrijk, Nederland, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk ligt het prijsniveau tot 20 % boven het gemiddelde.

Het geval van IJsland is bijzonder interessant, aangezien dit vroeger het duurste land van heel Europa was. De belangrijkste oorzaak van deze opmerkelijke ontwikkeling is de zeer sterke devaluatie van de IJslandse króna in de periode tot aan 2009. In 2010 zijn de prijzen weer aangetrokken als gevolg van een sterkere króna.

Spanje, Griekenland en Cyprus hebben een prijsniveau dat iets onder het EU-gemiddelde ligt; zij worden gevolgd door Portugal en Slovenië.

Aan de onderkant van de tabel staat een aantal landen met een prijsniveau dat tussen 25 en 50% onder het EU-gemiddelde ligt: Malta, Tsjechië, Estland, Slowakije, Letland en de twee kandidaat-lidstaten Kroatië en Turkije. Litouwen, Hongarije, Polen, Montenegro, Bosnië en Herzegovina en Roemenië liggen in dezelfde orde van grootte.

Het prijsniveau is het laagst – minder dan de helft van het EU-gemiddelde – in Servië, Bulgarije, Albanië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

De wisselkoersen zijn van cruciaal belang bij het bepalen van de prijsindexcijfers, en wisselkoersschommelingen hebben daarom vaak een grote invloed op de ontwikkeling van de prijsniveaus, zoals wij hebben gezien in het geval van IJsland. Een aantal van de belangrijke veranderingen van het prijsniveau die tussen 2008 en 2010 werden geconstateerd, kan ten minste voor een deel worden verklaard door de schommelingen van de valuta van het land ten opzichte van de euro. Deze fluctuaties waren tussen 2008 en 2009 sterker dan tussen 2009 en 2010. Tussen 2008 en 2009 zijn de nationale valuta's van IJsland, Polen, Roemenië, Servië, Turkije, het Verenigd Koninkrijk, Hongarije en Zweden meer dan 10 % in waarde gedaald. Tussen 2009 en 2010 stegen de munteenheden van bijna alle niet tot het eurogebied behorende landen in waarde gestegen ten opzichte van de euro, met name in Zweden, Zwitserland en Noorwegen. Een uitzondering is Servië: de dinar bleef in 2010 devalueren.

De laatste drie rijen van Tabel 2 bevatten de variatiecoëfficiënten van de prijsniveaus voor drie groepen landen: de (EZ-16)-eurozone , de 27 EU-lidstaten en de volledige groep van 37 landen. Een tijdreeks van deze coëfficiënten kan worden beschouwd als een grove indicator voor de prijsconvergentie.

Deze cijfers laten ons twee dingen zien. Ten eerste is de prijsspreiding, zoals te verwachten viel, veel groter in de EU als geheel en in de groep van 37 landen dan in de eurozone. Ten tweede convergeren de prijsniveaus binnen de eurozone in lichte mate, terwijl dit voor de EU als geheel of voor de groep van alle landen niet het geval lijkt te zijn.

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

De gegevens in dit artikel zijn verstrekt door het Koopkrachtpariteiten-programma van Eurostat-OESO. De volledige methodologie die in het programma wordt gebruikt, wordt beschreven in Eurostat-OECD Methodological manual on purchasing power parities.

De volume-indexcijfers van het BBP en de werkelijke individuele consumptie, die in Tabel 1 en Figuur 1 zijn weergegeven, vertegenwoordigen het reële volume van het BBP en de werkelijke individuele consumptie per hoofd van de bevolking. "Reëel volume" betekent dat de cijfers met behulp van KKP's zijn gecorrigeerd om rekening te houden met de verschillen in prijsniveau tussen de lidstaten en worden gerelateerd aan het gemiddelde van de Europese Unie (EU-27 = 100). Als het volume-indexcijfer van het BBP (of de werkelijke individuele consumptie) per hoofd van de bevolking meer dan 100 bedraagt, is het niveau van het BBP (of de werkelijke individuele consumptie) per hoofd van de bevolking in dat land hoger dan het overeenkomstige niveau voor de EU als geheel. De indexcijfers moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd om rekening te houden met foutenmarges. Zo bedroeg het volume-indexcijfer van het BBP per hoofd van de bevolking in Duitsland in 2010 118 en dat van België 119. In werkelijkheid kan uit deze cijfers worden geconcludeerd dat het BBP per hoofd van de bevolking in beide landen ongeveer even groot is.

Bij de prijsindexcijfers in dit artikel gaat het om de verhouding van de KKP's tot de wisselkoersen. Zij bieden een maatstaf voor de verschillen in prijsniveau tussen landen door voor een bepaalde productgroep een indicatie te geven van het aantal eenheden van een gemeenschappelijke valuta die nodig zijn om hetzelfde volume van de productgroep in elk land te kopen.

Prijsindexcijfers bieden een vergelijking van de prijsniveaus van landen ten opzichte van het gemiddelde van de Europese Unie; als het prijsindexcijfer hoger dan 100 is, is het betrokken land relatief duur ten opzichte van het EU-gemiddelde en omgekeerd. Het EU-gemiddelde wordt berekend als het gemiddelde van de nationale prijsindexcijfers, dat is gewogen met de uitgaven die zijn gecorrigeerd voor verschillen in prijsniveau. De prijsindexcijfers zijn niet bedoeld als ranglijst van landen. Zij bieden in feite alleen een indicatie van de orde van grootte van de prijzen in het ene land ten opzichte van andere landen, met name wanneer de resultaten van een aantal landen zeer dicht bij elkaar liggen. De mate van onzekerheid ten aanzien van de basisprijsgegevens en de methoden die worden gebruikt voor de opstelling van KKP's kunnen in een dergelijk geval van invloed zijn op de kleine verschillen tussen de prijsindexcijfers en kunnen leiden tot verschillen in de positie van de landen die niet van statistisch of economisch belang zijn.

Context

De volume-indexcijfers van het BBP per hoofd van de bevolking (op regionale basis – zie BBP en rekeningen van de huishoudens op regionaal niveau) worden gebruikt voor de toewijzing van de structuurfondsen binnen de EU. Regio's waar het reële BBP per hoofd van de bevolking minder dan 75 % van het EU-gemiddelde bedraagt (over een periode van drie jaar) komen in aanmerking voor steun uit de structuurfondsen. Bovendien zijn het reële BBP per hoofd van de bevolking, de prijsniveaus en de prijsconvergentie drie van de belangrijkste "structurele indicatoren" die worden gepubliceerd door de Europese Commissie.

Eurostat werkt nauw samen met andere internationale instellingen bij de productie en verspreiding van KKP's. Het werkt samen met de OESO om KKP-statistieken voor de OESO-landen te produceren en met de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) om wereldwijde KKP-gegevens te produceren. Zie externe links hieronder.

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

GDP per capita in Purchasing Power Standards (PPS)
Comparative price levels
Price convergence between EU Member States

Databank

Purchasing power parities (PPPs), price level indices and real expenditures for ESA95 aggregates (prc_ppp_ind)
Price convergence indicator (coefficient of variation of comparative price level index for final household consumption in %) (prc_ppp_conv)

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

Externe links

Zie ook

Weergaven